De fluim

Jaren geleden las ik in Hard Gras een artikel over de fluim. Een stuk dat mijn ogen opende en eigenlijk nog steeds doet. Spugende voetballers: velen zien het niet eens, maar een grote groep liefhebbers ergert zich er mateloos aan. Het is vies, want ‘straks maak je daar precies een sliding’, virusverspreidend, en niet lekker om te zien. Maar vooral begrijpelijk.

De fluim is er sinds jaar en dag op het voetbalveld. Met een fluim, bedoel ik een hoopje spuug. Gewoon even nonchalant over de lippen laten gaan. Niet het eruit werken van je avondmaal, zoals Lionel Messi vaak doet, of het legen van de neus, waar Jari Litmanen zich vaak schuldig aan maakte. Het simpel naar het gras richten van je gezicht en spugen. *Flatsch.* En klaar.

Wat er zo mooi is aan een fluim? Nou, aan de fluim zelf, vrij weinig. Maar het tijdstip waarop het spuug het veld raakt, is vaak zo mooi. Heb je ooit wel eens iemand zien spugen na een werelddoelpunt? Neem Diego Maradona, na zijn wereldberoemde solo, Zinedine Zidane, na zijn prachtige halve omhaal in een Champions League-finale en Marco van Basten, na zijn doelpunt op het EK van ’88. Bij alle drie gingen de armen in de lucht, ze waren in extase. Het gras vullen met speeksel paste daar niet bij.

Nee, een fluim zie je pas vliegen na een schot op de lat, een kopbal tegen de paal of een omhaal die net door de keeper uit de kruising wordt geronseld. Bij het missen van een kans, hoort een fluim. Een soort van vloek vanuit het diepste van je ziel. Een teken van frustratie van het lichaam.

Sommige gemiste kansen zijn mooier dan een doelpunt. Vooral als ze gevolgd worden door een fluim in het gras.

*Flatsch.*

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.