Sprint

Zweetpareltjes druppelden op het asfalt onder hem. Hij zat op een stoeprandje. Zijn ademhaling hoog en onregelmatig. God, wat voelde hij zich uitgeput. Zo hard als nu, had hij nog nooit gerend.

Dat was ook de bedoeling, zijn insteek was om sneller te gaan als ooit tevoren. Maar nu hij klaar was met zijn sprint, voelde hij iedere spier in zijn lichaam. Zijn hamstrings prikten, zijn kuiten trokken en zijn longen piepten. Hij was kapot. Geen kwestie van tot het gaatje, maar er dwars doorheen. Toch baalde hij. Al weken was hij in training door de Dam tot Dam-loop. 16 kilometer aan één stuk door hardlopen. Hij zat nu, met nog een maand te gaan, op een kilometer of 10 zonder in te zakken. Maar dat was op één tempo, zonder eindsprint. Vandaag bleek dat hij voor een spurt nog duidelijk niet klaar is.

Hij trok zijn veters los en liet zijn voeten luchten. Zijn nieuwe schoenen knelden, hij haatte zichzelf dat hij ze niet rustig had ingelopen. Nu voelde hij de blaren opkomen. Hij vloekte hardop. Het zat niet mee. ‘Nou nou, jongen. Je hoeft niet zo te schelden.’ Op een bankje achter hem zat een oud vrouwtje. ‘Over zeven minuten komt de volgende bus.’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.