Utrechtse kuitenbijter

Het is nu al zo’n twee jaar, dat ik dag in, dag uit op mijn fiets stap. Mijn racefiets welteverstaan, mijn grote verslaving. Negen van de tien keer rijd ik door de straten van mijn woonplaats Hoofddorp, of rijd ik een rondje om de gemeente Haarlemmermeer. Langs de Ringvaart maak ik mijn hoofd leeg, leg ik mijn gedachten bij mijzelf te raden. Zo af en toe besluit ik om wat variatie in mijn gedrag te leggen. Dan kies ik een andere route, richting het noorden, zuiden óf richting Utrecht. Zo ook op een zomerse zaterdagochtend in oktober. Met het zonnetje op mijn rug reed ik richting het geografische middelpunt van ons land.

Hoge brug, joh!

Via de kassen in Aalsmeer, stoempte ik rustig op de pedalen naar Mijdrecht en Woerden. Daar namen de groene velden het over. Het fietspad werd minder, het asfalt veranderde in klinkertjes. Maar dat deerde niet. In het zonnetje, met geen wolk boven mijn hoofd, voelde ik mij goed in de provincie. Geen drukte, geen stress. Langgerekte fietspaden, zonder stoplicht. Rustig peddelde ik door, in mijn beleving leidde de weg naar niets, en kon ik uren zo doorgaan.

Via Wilnis en Kockengen reed ik naar Breukelen en daarvandaan trapte ik rustig door naar Maarssen. Terwijl ik langs de Vecht reed zag ik vissers hun hengeltje uitgooien. Het was druk, vooral door de oudere mannetjes en de Poolse medelanders. Op zoek naar de mooiste geschubde beestjes. Maar vooral: bijkomend van een drukke werkweek. De dobber in het water, en de blik op oneindig. Eigenlijk precies hetzelfde als ik op deze ochtend deed. Even de zinnen verzetten, niet denkend aan de problemen van morgen.

Wat ook nog niet in mijn hoofd zat, was wat mij bij Maarssen stond op te wachten. Het zou een speciaal iets worden in mijn wielercarrière. Een moment waar ik nog vaak aan terug zou denken en waar ik altijd naar zou blijven verlangen. Nu fietste ik nog in alle rust richting Utrecht, de grote stad. Maar had ik daar wel een idee van? Zo ingeklemd tussen de het water en het spoor. Nee. Totaal niet. Een rustige oase, vlakbij de stad.

Steeds harder hoorde ik auto’s over asfalt zoeven. En steeds dichterbij kwam ik bij de grote horde. Want langzaam doemde hij voor mij op: de Hoge Brug bij Westkanaaldijk. Met steile zijkanten en een goede wielerhoogte. De brug bleek een regelrechte kuitenbijter. Het zuur spatte in mijn benen. Ik moest uit het zadel en terugschakelen. Het klimmetje duurde nog geen minuut, maar blijft voor altijd op mijn netvlies staan. Daar in Maarssen voelde ik mij even op een Alpen col. De benen brandden als toen ik Alpe d’Huez binnen reed. Mijn hartslag versnelde als na het trekken van een eindsprint.

Langzaam reed ik na een paar kilometer de brug weer af, en via het centrum van Utrecht reed ik naar huis. Op de rit van 128 kilometer, was de brug maar een fluitje van een cent. In absolute getallen, stelde het werkelijk waar niets voor. Toch gaat mijn gedachte vaak nog terug naar dat moment dat ik de Hoge Brug bedwong. De Utrechtse kuitenbijter.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.